“Daarom zal De Lijn een besparingsoperatie doorvoeren, die in de eerste plaats aansluit bij de kernprincipes van basisbereikbaarheid”, zegt Vlaams minister van Mobiliteit Annick De Ridder. Het gaat om één van de vele budgettaire inspanningen die de Vlaamse Regering doet, om aan te knopen bij een begroting in evenwicht in 2027.
Cijfers gaan de goede kant op
Tussen 2022 en 2025 is het aantal reizigers op het kernnet en aanvullend net met 6,2% gestegen. Daarmee benaderen we de target van 7% stijging die werd vooropgesteld bij de invoering van basisbereikbaarheid. Ook het aantal frequente reizigers blijft toenemen: in 2025 telde De Lijn bijna 704.000 abonnees, een stijging van 3% tegenover 2024 en 5% tegenover 2023. “Een duidelijk signaal dat we steeds meer mensen weten te verleiden tot alternatieve vervoersmodi, want ook het gebruik van de fiets stijgt evenzeer. Meer dan 22% van het woon-werkverkeer gebeurt per fiets”, aldus minister De Ridder.
Ook de tevredenheidscijfers maken duidelijk dat de Vlaming ons openbaar vervoer weet te smaken. 77% is tevreden over zijn of haar rit. Tegelijkertijd zagen we ook het aantal klachten van 2024 tot 2025 dalen met 11%.
Flexvervoer loopt op wieltjes
Ook het flexvervoer kent een duidelijke groei. “In 2023 waren er bijna 907.000 flexreizigers. In 2025 telden we al ruim 1.305.000 gebruikers. Dat is een stijging van 41%.” Tegelijk wordt sterker ingezet op een correct gebruik. “Sinds ik begin 2025 De Lijn heb opgedragen om strenger op te treden tegen oneigenlijk gebruik en no-shows bij flexritten, zien we een daling van het aantal no-shows van 5,38% naar 4,46%. Die busjes kunnen dan ingezet worden voor andere ritten, wat ook blijkt uit de daling van geweigerde ritten: van een piek van 11,5% in het voorjaar van 2025 tot 6,9% op het einde van het jaar.”
Deze cijfers tonen aan dat basisbereikbaarheid werkt wanneer we consequent opvolgen en bijsturen. Die bijsturing en verdere efficiëntie-oefening komt er ook, in functie van de besparing die De Lijn moet doorvoeren als deel van de budgettaire inspanningen die de Vlaamse Regering doet om aan te knopen bij een begroting in evenwicht in 2027.
Belastinggeld verantwoord inzetten
Uit de evaluatie van de basisbereikbaarheid blijkt immers dat er nog altijd buslijnen zijn die meerdere keren per dag rijden met een zeer lage bezetting. Dat strookt niet met de principes van basisbereikbaarheid, die net vertrekken vanuit vraaggericht openbaar vervoer. “We kunnen niet verantwoorden dat belastinggeld wordt ingezet om quasi lege bussen te laten rondrijden. Die vaststelling volgt rechtstreeks uit de evaluatie, los van de besparingen die vandaag op tafel liggen”, zegt De Ridder. “Op die plekken dient er net heel gericht gewerkt te worden met heel fijnmazige ingrepen, zoals bijvoorbeeld de inzet van flexvervoer.”
Het uitbreidingsbeleid blijft overeind, om verder te werken aan een sterker en betrouwbaar openbaar vervoer. Vanaf 2027 investeren we 50 miljoen euro aan extra middelen die oplopen tot 125 miljoen euro tegen 2029, zowel voor het reguliere net als voor vervoer op maat.
Meer investeringen dan ooit in De Lijn
De Lijn gaat de komende weken samen met de vervoerregio’s aan de slag om de concrete optimalisaties per regio uit te werken. Die oefening moet tegen het voorjaar afgerond zijn, zodat ze zo snel mogelijk kan worden vertaald naar een aangepaste dienstregeling op het terrein.
“Besparen waar het moet, investeren waar het werkt: dat is de logica die we volgen”, besluit minister De Ridder, die tijdens de commissie nog eens weerlegde dat er ’alsmaar meer bespaard wordt op De Lijn’. “De Vlaamse overheid investeert vandaag meer middelen dan ooit in het openbaar vervoer. De cijfers zijn glashelder: in 2015 bedroeg het totale budget van De Lijn 994,7 miljoen euro. In 2026 is dat 1.379,8 miljoen euro. Dat is een stijging van zowat 39%, meer dan de consumptieprijsindex in dezelfde periode steeg (37%). Daarbij komt nog eens de turbo van 400 miljoen euro die we investeren in de aankoop van nieuwe, elektrische bussen en de extra middelen voor exploitatie die tegen 2029 oplopen tot 125 miljoen euro.”